Gepost door: Michaël Laurent | 13 oktober 2010

De grijze zone van euthanasie in Vlaanderen: slechts helft aangegeven, maar welke helft?

Smets T et al. Reporting of euthanasia in medical practice in Flanders, Belgium: cross sectional analysis of reported and unreported cases. BMJ 2010; 341:c5174.

In een nieuwe analyse van vakgroep palliatieve zorgen van prof. Deliens (VUB) werd onderzocht hoeveel gevallen van euthanasie niet werden gerapporteerd. Bij 6202 willekeurige overlijdens werd naar de arts die de overlijdensakte had ingevuld, een enquête opgestuurd. In 58.4% werd deze beantwoord.

Er werd niet expliciet gevraagd “Werd er euthanasie uitgevoerd?”, maar wel of er bepaalde geneesmiddelen werden toegediend met het expliciete doel om het overlijden van de patiënt te bespoedigen. Euthanasie werd gedefinieerd als dit ook gebeurde op vraag van de persoon zelf, en als iemand anders dan de persoon zelf levensverkortende medicatie toediende.

RESULTATEN

Dubbel zoveel euthanasieën als aangegeven

Er werden 137 gevallen van euthanasie vastgesteld, wat werd geëxtrapoleerd naar 1.9% van alle overlijdens in Vlaanderen in 2007.

Slechts half zoveel euthanasieën werden echter bij de federale toezichtscommissie gerapporteerd (52.8%; 95% confidentie interval 43.9% to 60.5%). Meestal werd dit niet gerapporteerd omdat de arts vond dat er geen sprake was van euthanasie (76.7%). 17.9% vond dat het rapporteren teveel administratieve overlast inhield. 11.9% zei dat er geen aangifte werd gedaan omdat de wettelijke voorwaarden mogelijk niet allemaal in orde waren, en 2.3% deed dit niet uit vrees voor wettelijke vervolging. 9% vond dit een zaak tussen de arts en de patiënt waar de overheid geen zaken mee heeft.

Er was geen verschil in rapportering tussen huisartsen en specialisten. Er werd wel significant minder aangifte gedaan bij 80-plussers en wanneer de levensverkorting door euthanasie op minder dan een week werd geschat, doch dit bleef niet significant wanneer werd gecorrigeerd voor een andere parameter: het feit of de arts de acte al dan niet als euthanasie beschouwde. Als de arts vond dat er sprake was van euthanasie, werd er in 93% van de gevallen aangifte gedaan, tegenover 8% in de gevallen waar de arts geen euthanasie meende uit te voeren.

Niet gerapporteerde gevallen duidelijk verschillend

De gevallen van aangegeven euthanasie verschilden duidelijk van de niet aangegeven gevallen. Zo was er bij 73% van de aangegeven gevallen een schriftelijk verzoek van de patiënt en was er overleg met collega’s in 100% van de gevallen, tegenover 88% louter mondelinge verzoeken van de patiënt en 85% overleg met collega’s in de niet gerapporteerde gevallen. De aangegeven gevallen werden in 95% uitgevoerd met barbituraten en spierverslappers, terwijl 90% van de niet aangegeven gevallen werd uitgevoerd met morfine en benzodiazepines. De aangegeven euthanasieën werden uitgevoerd door de arts (97.7%), terwijl dit in andere gevallen vaak een verpleegkundige alleen was (43%).

Ten slotte was het opvallend dat in de helft van de niet gerapporteerde gevallen waarbij morfine werd toegediend met het expliciet doel om het leven van de patiënt te verkorten, de dosis niet hoger was dan deze nodig voor symptoomcontrole.

BESPREKING EN BESLUIT:

Deze studie heeft de klassieke beperkingen van een cross-sectionele enquête maar is desalniettemin interessant. De meeste gevallen waar de arts bewust euthanasie pleegt, worden aangegeven (93%). Volgens de wettelijke definitie gebruikt in deze studie, wordt zogezegd één op twee gevallen niet aangegeven. De auteurs argumenteren dat 100% rapportering een utopie is.

Er bestaat zeker een grijze zone bij de niet gerapporteerde gevallen, waarbij de arts b.v. bewust morfine en/of benzodiazepines toedient aan een (vaak oudere) patiënt met pijn en een zeer korte levensverwachting, met als expliciet doel het lijden niet onnodig te verlengen. Volgens de definitie van deze studie en volgens de wet betreft het hier misschien euthanasie, maar de meerderheid van de artsen ervaart dit blijkbaar als deel van de palliatieve zorgen. De auteurs van het artikel merken correct op dat palliatieve zorgen vaak urgente geneeskunde is, en dat stervende patiënten vaak niet kunnen wachten op de administratieve rompslomp waarmee euthanasie wettelijk gepaard gaat.

In een kleiner percentage gevallen zal anderzijds ook euthanasie in de strikte zin van het woord worden toegepast met middelen die daarvoor niet aangewezen zijn, maar minder confronterend zijn voor artsen en nabestaanden. Hierbij denken we b.v. aan de relatief jongere patiënt met een uitzichtloze prognose op intensieve zorgen die hoge dosissen morfine en sedatie krijgt in plaats van een dodelijke bolusinjecties of het plots stoppen van mechanische ventilatie.

Het feit dat ouderen minder klassieke euthanasieën kregen, kan er op wijzen dat dit bij hen soms onterecht wordt geweigerd. Ten slotte is een deel van de artsen blijkbaar nog steeds bang van een overdreven levensverkortend effect van morfine wanneer het noodzakelijk is voor pijncontrole.

Add to FacebookAdd to DiggAdd to Del.icio.usAdd to StumbleuponAdd to RedditAdd to BlinklistAdd to TwitterAdd to TechnoratiAdd to FurlAdd to Newsvine

Advertenties

Responses

  1. […] in opdracht van artsen vaak morfine toegediend door verpleegkundigen met als expliciet doel het leven te verkorten. Daarnaast laat de kwaliteit van de palliatieve sedatie dikwijls te wensen […]


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: